SIMIKOS - GESCHIEDENIS
Een mooie kantine, 8 cabines, 4 velden ... welke amateurclub kan zulke accommodatie aanbieden? Voor de nieuwkomers onder ons lijkt het misschien allemaal de evidentie zelve, maar dat is zeker niet altijd zo geweest. En dat is zeker niet vanzelf gekomen. Daar hebben wij keihard voor moeten knokken. Een aantal onder ons hebben de evolutie (geheel of gedeeltelijk) meegemaakt, maar de meesten hebben van onze pioniersperiode geen weet. Daarom is het al eens nuttig even terug te blikken van waar we komen.
Meer dan 30 jaar geschiedenis in al zijn facetten samenvatten, is onbegonnen werk. Daarom overloop ik in dit overzicht de belangrijkste mijlpalen. In de andere items van de historiek vind je nog allerhande overzichten terug.
In 1972 uitte Jef Daems (tot op heden nog steeds secretaris in het St. Michielscollege) het idee om met een cadettenploeg van start te gaan in het Katholiek Sportverbond. Toen dit oud-student Jef Rombouts ter ore kwam, wou hij meteen mee in zee gaan met een seniorsploeg. Vroegere pogingen (na wedstrijden van oud-leerlingen tegen leraars wou hij daar een bestendig karakter aan geven) mislukten steeds. Ook nu kwam er weinig reactie op zijn schrijven, maar na een aantal huisbezoeken lukte het hem toch. Zo startte Simikos in het seizoen 1972-73 met 2 ploegen. De naam "Simikos" is trouwens de afkorting van Sint Michielskollege Schoten. Hierbij moeten wij wel vermelden dat wij geen collegeploeg zijn, in de ware zin van het woord (zoals bv Olve, Olvac, Ossmi, ... wel zijn) daar het college geen basisonderwijs heeft. Voor de aanwerving van onze jongste spelertjes (pupillen t/m miniemen) zijn wij aangewezen op de mondelinge reclame.
In
de beginjaren – het gaat over de eerste drie seizoenen - hadden beide teams
niet veel meer gemeen dan de naam. Bewijs hiervan is dat ze zelfs in
verschillende kleuren speelden: de cadetten volledig in het wit, de seniors in
geel/zwart. Een aantal toenaderingspogingen, meestal ingegeven door financiële
perikelen, mislukten. Vandaar dat ik uit de beginjaren weinig zinnigs kan
vertellen over de jeugdwerking.
Het derde jaar werd echter de vzw Simikos Voetbal opgericht, met de sterke en suksesvolle structuren die wij tot op heden nog kennen.
Een eerste groot probleem was het vinden van een terrein. Zelfs na onderhandelingen met het gemeentebestuur (bij monde van Louis Bresseleers, toenmalig schepen van sport) bleef Schoten Sportkring halsstarrig weigeren om ons toe te laten in het gemeentepark. Ten einde raad knipte Jef Rombouts een schaalmodel (met minimumafmetingen: 45x90m) uit en raadpleegde het kadasterplan. Tot zijn verwondering voldeed de weide achter het college aan deze afmetingen. Een controle ter plaatse bevestigde het vermoeden. Terug dus naar het gemeentebestuur, dat de belofte deed om het veld te egaliseren en doelen te plaatsen. In tussentijd zouden wij dan het B-veld van Schoten mogen gebruiken. Halfweg dat eerste seizoen verhuisden wij dan naar de Deurnevoetweg. Maar daarmee waren onze zorgen verre van opgelost. De ondergrond van klei was immers totaal ongeschikt om er een voetbalveld van te maken. Voordien stonden hier immers koeien van boer Van Elsacker te grazen. Er liep zelfs een gracht dwars over het veld, met in het midden een waterput. Jaar in, jaar uit werd het een strijd tegen slijk en wateroverlast. Allerlei procédés werden uitgeprobeerd: draineren (met als top-flop een metersbrede gracht gevuld met steengruis), rupelzand toevoegen om de doorlaatbaarheid te bevorderen, tientallen putten boren en die vullen met rupelzand, bol leggen zodat het water van het veld kon weglopen (rondom werden afwateringsriolen gestoken en het overtollige water werd in de overliggende hofgracht gepompt). Gelukkig werd dit werk door vele handen gedragen. Zo herinner ik mij volgend tafereel op een seniorstraining: 3 enorme zandhopen waren op het veld gestort. Beurtelings trainde de ene helft van de spelers, terwijl de anderen met kruiwagens het zand over het veld uitspreidden. Toevallige passanten zullen er wat van gedacht hebben!, Jos Deryck was dikwijls de rots in de branding. Naast de ontelbare karweien die hij opknapte, was het veld zondermeer zijn troetelkind, waar hij uren arbeid aan besteedde. Maar ook de ploegverantwoordelijken (die toen nog zelf het veld in orde moesten brengen, waaronder lijnen trekken en netten hangen) deden hun duit in het zakje. Voornamelijk het jeugdbestuur, onder leiding van Ludo Bosmans, was nagenoeg iedere vrijdagavond present om het terrein bespeelbaar te maken. Als de wedstrijden bij mindere weersomstandigheden toch konden doorgaan, was dit al een overwinning op zich.
Dit gemeenschappelijk streefdoel zorgde voor een nooit geziene samenhorigheid, die zich ook weerspiegelde in alle andere facetten van het clubgebeuren.
Om het werk te verlichten, werd al vrij snel een lichte tractor aangekocht. In het seizoen 87-88 liet die echter de geest, zodat wij een Ford Kompakt-tractor aankochten (mits een lening bij de leden) die nog steeds dienst doet. Ondertussen is ons "wagenpark" trouwens aanzienlijk uitgebreid: 2 tractors, een grasmaaier, een zandstrooimachine en een grasopraper. Want ook aan de Zeurt staan wij nog altijd in voor het onderhoud van de velden (gras afrijden betekent hier wel een oppervlakte van ongeveer 25.000m² bestrijken).
Ook aan de minimumafmetingen wensten wij iets te doen. Niet gemakkelijk, want wij zaten geprangd tussen een aantal privéhoven, het college en de Deurnevoetweg. Mits wat riolering te leggen, een stuk van de Deurnevoetweg weg te graven en enkele bomen te snoeien, bracht een kleine rotatie van het veld de oplossing. Maar groter dan 48,5 x 92 m konden wij niet gaan. Wel werd ook het comfort van de bezoekers geoptimaliseerd door een betonnen toegangsweggetje aan te leggen en een luifel naast het terrein te plaatsen.
Ieder seizoen opnieuw zaaiden wij in zodat wij met ons tornooi een mooi groen grasveld konden presenteren. Half november waren echter de laatste sprietjes nog in de hoeken te vinden.
Het bleef dus een ondankbare strijd, die wij in feite nooit echt gewonnen hebben. Onmogelijk trouwens als je weet dat in '92 (bij onze overgang naar De Zeurt) niet minder dan 15 ploegen op dat ene veldje moesten spelen en trainen.
Voor de trainingen zochten wij zoveel mogelijk alternatieven, maar dat bleek niet altijd even simpel. Na wat omzwervingen langs diverse pleintjes (van Deuzeld o.a.) in Schoten, werd een tijdlang op de speelplaats van het college getraind. Dit was evenwel niet bevorderlijk voor het ruitenbestand. Met de opening van de nieuwe sporthal in de Vordensteynstraat versierden wij daar op dinsdag en donderdag telkens 1 trainingsuur. Wegens te duur keerden wij evenwel terug naar ons veld. Aanvankelijk met 1 schamel lichtpunt aan de kantine, nadien werden aan één zijde, nadien aan beide kanten, verlichtingspalen (afgedankte lantaarnpalen die nu nog dienst doen op het D-veld) geplaatst. In '89 investeerden wij bijna een half miljoen in 16 m hoge pilonen, die wij in '97 overbrachten naar ons C-terrein. Voor dit laatste werden door Marcel Joosen greppels van de kantine tot en rondom het C-veld (over een totale lengte van ongeveer 500 m) gegraven met een gehuurde graafmachine. Ondanks deze faciliteiten kon ons pleintje niet aan alle elftallen onderdak bieden. Bovendien trachtten wij de overbezetting zoveel mogelijk terug te dringen. Uitwijkmogelijkheden werden gezocht en gevonden in de aanleg van een oefenveldje achter ons terrein, maar daar dit voor een groot stuk op privé-grond lag, was dit geen blijvende oplossing. Ook mochten wij het C-terrein van Schoten benutten, zij het op een laat uur. De besprekingen hieromtrent met schepen Jef Van Gastel, liepen aanvankelijk probleemloos, maar na zijn overlijden ging dit allemaal wat stroever en onvriendelijker.
Kun je je de luxe voorstellen toen wij in '92 naar de Zeurt kwamen? Wel opteerden wij er al onmiddellijk voor om de 2 beschikbare velden enkel voor competitiedoeleinden te gebruiken. Wij legden dan ook onmiddellijk een 3de terrein aan achter het B-veld. Nadat de korfbal hierop zijn rechten liet gelden, maakten wij achter het A-veld 2 oefenveldjes, die dwars tov het A-veld lagen. Met de bouw van de korfbal- en pingpongaccommodatie moesten wij ons andermaal aanpassen. Tot onze verwondering konden wij in het verlengde van het A-veld een terrein aanleggen met de officiële afmetingen. Toen ook het C-terrein vrijgegeven werd op 1/10/97 waren onze problemen helemaal opgelost. Hoewel ... de huidige donderdagavond is zo overbelast, dat 1 groep (veteranen) na de opwarming een gedeelte van het B-veld mag gebruiken.
Al de inspanningen die geleverd werden, vroegen natuurlijk om de nodige financiële fondsen. Koken kost nu eenmaal geld. En dat was in de beginjaren een levensgroot probleem. Zowel bij de jeugd als de seniors moest de kassier meermaals rode cijfers in zijn boekhouding inschrijven. De waarborg bij de inschrijving in het Katholiek Sportverbond werd gelukkig voorgeschoten door pater Gailliaerde. Daarnaast probeerden wij het lidgeld toch zo democratisch mogelijk te houden. Een principe waarop tot op heden niet afgeweken wordt: de jaarlijkse bijdrage van de spelers dekt bijlange niet de werkingskosten. Wel dienen de spelers (of hun ouders/lief/...) een drietal tapbeurten te verrichten zodat zij enerzijds een grotere betrokkenheid bij het clubgebeuren kweken (dat hopen wij althans) en wij anderzijds de kantineuitbating in eigen beheer kunnen blijven doen.
Toen wij evenwel nog geen kantine hadden, moesten pronostieken e.a. ludieke acties onze financiële leefbaarheid garanderen. En Rozeke van 't Centrum (onze stamkroeg indertijd, nu niet meer bestaande) was dan wel niet alleen een trouwe supportster, af en toe stak zij ons ook wat centjes toe. Toch was dit met onze explosieve groei geen haalbare optie voor de toekomst. Onder impuls van Guy Segers, destijds keeper van de 1ste ploeg, werd na de matchen een toog geïnstalleerd in de turnzaal van het college; het begin van een blijvende bron van inkomsten. De wens (vooral vanuit de seniors) voor de oprichting van een eigen accommodatie werd steeds luider. Het omkleden gebeurde immers tot dan in de gang of een klaslokaal van het college; wassen in plastieken bakjes met overwegend koud water ... voorhistorische toestanden die niet meer beantwoordden aan de noden van die tijd. Contact werd gezocht met het jeugdbestuur en er werd besloten een VZW op te richten. De statuten hiervan verschenen in het Staatsblad van 12 mei 1975. Het wantrouwen dat er heerste, bleef echter wel bestaan. Daarom werd een evenredige "zetelverdeling" doorgevoerd: 5 leden van iedere afdeling, Leo Verduyn als directeur van het college moest bij gelijkheid van stemmen de knoop doorhakken. Die eerste VZW bestond uit: Jef Rombouts (voorzitter), Adriaan Wartel (ondervoorzitter), Louis Deryck (secretaris), Jan De Veuster (schatbewaarder), Marcel Voet (commissaris) en verder uit volgende leden: Gust Aerts, Jef Ceulemans, Theo Franssen, Guy Segers, Marcel Van Keer, Leo Verduyn. Dat wantrouwen bleek al vlug ongegrond. Alle neuzen wezen al snel in dezelfde richting, zodat tegenwoordig dit onderscheid volledig verdwenen is.
Een andere belangrijke optie die genomen werd is de verkiesbaarheid: niet de spelende leden zijn stemgerechtigd, wel de leden van de vzw. De bestuursleden (van lid tot voorzitter) worden éénmalig gekozen en bevestigen ieder jaar hun functie en kunnen met slechts de helft plus één van de stemmen (van de algemene vergadering van de vzw) afgestemd worden. Dit werkt een langetermijnpolitiek in de hand.
De opdracht van de VZW is tweeërlei: zij bepalen zowel de clubpolitiek (wat vereenvoudigd wordt doordat alle voorzitters van onze deelbesturen vertegenwoordigd zijn) als het financieel beleid.
Dat laatste vormde al meteen een uitdaging door de bouw van onze 1ste kantine. Bij de leden gingen wij een lening aan van 250.000 fr, die op maximaal 5 jaar betaalbaar was. Dat deze schuld op amper anderhalf jaar afgelost was, bewijst het enthousiasme waarmee het engagement beleefd werd. Maar niet iedereen had het zo begrepen: voor onze levering van de betonnen platen en palen konden wij niet terecht bij Van Elsacker (uit angst voor niet solvabel); enkel brouwerij Wieze wou met ons in zee gaan (om dezelfde reden). Sindsdien gaat het ons financieel echter voor de wind en konden steeds nieuwe projecten opgestart worden.
(wordt vervolgd)